Blog NAH

Femke Hendriks – Weitering (1974) werd in november 2020 getroffen door een hersenvliesbloeding. De eerste maanden probeerde ze thuis te herstellen i.s.m. de eerste lijn. Van april ’21 t/m september ’21 gaat ze naar het revalidatiecentrum om te werken aan haar herstel. Ze schrijft een paar keer per maand over haar ervaringen, gedachten en haar gezin. En over vrees en hoop en alles wat daar tussen zit…


Donderdag 29 april ’21

Bij het revalidatiecentrum pak ik mijn mondkapje uit mijn tas. Bij de ingang desinfecteer ik mijn handen. Dan realiseer ik me dat ik alweer vergeten ben vooraf de online Covid-vragenlijst in te vullen om het gebouw in te mogen. Waarom moeten ze het zo ingewikkeld maken voor mensen die vanwege hersenletsel het al ingewikkeld genoeg vinden om te plannen en organiseren? Ik pak een screenshot met het groene vinkje van vorige week. Gelukkig de studentikoze portier zit er weer. Hij is niet zo kritisch. Ik laat hem enkele seconden mijn telefoon zien en hij knikt.  

Ik pak een bekertje heet water en ga zitten in de lange gang dat tevens fungeert als wachtkamer. De gezellige zwart-gele linten rondom de zitplekken naast me barricaderen mijn mogelijkheden om met anderen een praatje te maken. Bespaar ik mijn energie. Soms heeft Corona ook zijn voordelen. Uit mijn tas haal ik twee kaarten die ik op de valreep thuis van de deurmat griste. Ik lees de tekst twee keer en laat het goed tot me door dringen. Hou vol, Fem! Jaja, ik doe mijn best. 

Vandaag start ik mijn dag met de ergo en fysio tegelijk. We bekijken mijn ingevulde formulieren aan de hand van de activiteitenweger. -1 punt per half uur als een activiteit je energie oplevert, +1 als het energieniveau ongeveer gelijk blijft, +2 bij een gemiddelde belasting en +3 bij een zwaarwegende activiteit. Ik heb er al rekening mee gehouden dat ik te licht over activiteiten denk. Ik ben niet voor niets al een aantal keer vet teruggefloten tijdens mijn herstel. 

‘Je bent de eerste in mijn carrière die vindt dat mijn oefeningen energie opleveren,’ zegt de fysio. 

‘Oke, dan zet ik die op 1.’ 

‘Ontbijten… hm… staat op 0 bij jou. Dat bestaat niet.’ 

‘Ontbijten doe ik alleen en zit een half uur op een stoel. Dat kost me geen energie. Beetje energie geven en beetje nemen is 0. Toch?’ 

‘Maar levert het energie op?’ 

‘Uhm… nee. Ik snap het. Ik zet het op 1.’ 

Gedurende vijf minuten moet ik noodgedwongen alle activiteiten ophogen. Er blijft weinig over wat me energie oplevert. Enkel het rusten en badderen. Ik voel steeds meer weerstand opkomen. Ik kras steeds driftiger de lage cijfers door.  

‘Goed, na het rusten ben je samen met je gezin. Dat heb je 1 punt gegeven ook al was dat 2 ½ uur.’ 

Tevreden knik ik. Als ik met mijn gezin ben, voelt dat fijn. Alsof er niets veranderd is. Alsof ik niet veranderd ben. Ik zie aan de gezichten van de ergo en de fysio dat ik iets uit te leggen heb. 

‘Ze waren heel rustig. En soms waren ze ook even weg of kwam er eentje weer terug. Een soort duiventil.’ 

‘In een duiventil is het erg druk en onrustig…’ 

‘Ja, maar het was buiten in de tuin, de zon scheen…’ 

Stilte.  

‘Net gaf je nog aan dat een gezinsactiviteit 3 punten kostte..’ 

Dan barst ik in tranen uit.  

‘Als ik niet meer samen een activiteit met mijn gezin kan doen, wat voor moeder ben ik dan?’ 

Een moeder die nog heel veel rustpauzes nodig heeft. Een moeder met een zeer laag energielevel. Een moeder op tweehoog. In een slaapkamer op zolder. Een moeder op afstand. Een moeder die enkel uitbundig kan doen via de gezinsapp. Kutproces dat revalideren. 

Zaterdag 1 mei 

Vanwege een heftige migraine-aanval gisteravond besluit ik het eens helemaal anders te gaan doen vandaag. Rust, rust en rust. Ik blijf zo veel mogelijk op mijn slaapkamer en probeer ver weg te blijven van mijn telefoon. Mijn telefoon en mijn hersenen gaan niet goed samen. Dit kan ik. Met een kop thee staar ik uit het raam. Vanuit hier heb ik een prachtig overzicht over de straat met aan het einde een Maria-kapel. Dit was mijn uitzicht wekenlang na ontslag uit het ziekenhuis. Nu zijn de bomen versierd met lichtgroene lenteblaadjes. Oh, mijn AH app bijwerken voor volgende week. Zo efficiënt mogelijk klik ik de producten aan en plaats de bonusaanbiedingen in mijn winkelwagentje. Gauw leg ik mijn telefoon weer weg. Was het vijf minuten? Zou dat erg zijn?  

Na twee uur uit het raam staren voel ik me een stuk beter, maar mag echt mijn bed niet uit. Wat kostte ook alweer de minste punten? TV-kijken is 1, lezen 2, met het gezin samen zijn 3. Ik kies voor de optie met 1 punt. Ik app mijn man dat we de film van van de week af kunnen kijken. Oh wat lief, appjes van vriendinnen en collega’s die op afstand voelen dat ik ze nodig heb. Snel beantwoord ik hen dat ik denk dat ik gisteren mijn diepste dal bereikt heb en dat het vanaf nu echt beter zal gaan. In mijn antwoord zit zowel vrees als hoop. Erger dan de afgelopen dagen zal het toch niet worden? Ik bedoel hoeveel kun je huilen in een week? Shit, weer een kwartier op die telefoon. Ik gooi mijn telefoon buiten handbereik. Afblijven jij. Het zou een telefoonloze dag zijn! 

Vroeger mocht ik nooit overdag tv-kijken van mijn moeder en ergens zit die regel nog diepgeworteld in mijn systeem. Toch voelt het heerlijk ontspannen om samen in bed de film te kijken. Als ik na de film een uur geslapen heb, voel ik me stukken beter. De tactiek van rust, rust en rust lijkt te werken.  

‘Probeer niet alle energie meteen uit te geven.’ 

‘Maar wat moet ik dan? Als ik niet mag lezen, schrijven, muziek luisteren of überhaupt actief bezig zijn? Naar boomtoppen staren?’ 

‘Ja, dat. En genieten dat het goed gaat.’  

Opnieuw staar ik uit het raam en inderdaad. Het lukt. Dat genieten. Tien hele minuten. Als ik nu eens het boek ‘Hersenschorsing’ van Margôt Ros voor de tweede keer lees? Vast minder belastend voor mijn hersenen als ik het hele verhaal al ken. Ik blader door het boek en zie achterin een interessante website. Als ik nu eens heel even….. Ik strompel mijn bed uit en pak weer mijn telefoon. De site hersenletsel-uitleg.nl heb ik snel gevonden. Ik scroll wat door de pagina’s en kom dan uit bij informatie voor gezinsleden. Als ik het indrukwekkende verhaal heb gelezen van een partner, bekruipt mij een soort angst. Veel partners van hersenletselpatiënten hebben het zwaar. Sommigen trekken het niet en besluiten te scheiden. Iets wat de buitenwereld vaak niet begrijpt. Hun partner vraagt teveel zorg, er is gedragsverandering opgetreden, of de ‘gezonde’ partner kan niet omgaan met de zeer beperkte energie van hun partner. Ben ik veranderd? Trekt mijn partner het nog wel? Als hij bovenkomt, vraag ik of hij even bij me komt zitten. 

‘Vind je mij nog de moeite waard om bij me te blijven?’ 

Hij knielt voor mijn bed op de grond en kust mijn hand. 

‘Natuurlijk schatje. In voor- en tegenspoed.’ 

Zondag 2 mei  

De migraine-aanval van vrijdag ebt langzaam uit mijn hoofd. Maar de zorgen nog niet. Wat als ik op Ameland nu een heftige aanval krijg en naar het ziekenhuis moet? Ik zie mezelf al met de helikopter van het eiland vervoerd worden. Manlief en kinderen huilend achterlatend in de hotelkamer. Ik had al voorgesteld in mijn eentje thuis te blijven en hen laten genieten van het mooie Ameland waar we al meerdere keren heerlijke vakanties doorgebracht hebben. Dat was een no-go-area. Normaal gesproken ga ik liever naar onbekende plekken op vakantie; ik hou ervan nieuwe steden of onbekende wandelpaden te ontdekken. Mijn hersenen denken daar nu anders over. Mijn hersenen passen nu beter bij mijn partner, wiens voorpret al begint met het herinneren van fijne vakanties eerder op die plek.  

‘Oh, en dan gaan we lekker borrelen bij Sunset Beach. En dan ’s avonds bestellen we een diner bij Rixt. Zouden ze die lekkere huisgemaakte hamburgers nog hebben?’ 

Na een flinke discussie over wel of niet gaan naar Ameland zijn we tot het compromis gekomen, niet drie maar twee nachten te gaan. We hebben afgesproken dat ik een balansdag heb vandaag. Zoveel mogelijk energie sparen voor Ameland. Oftewel; heel de dag op bed liggen terwijl de hectiek van inpakken en klaarzetten zich beneden afspeelt. De pup moet naar de kennel, de bejaarde hond mag logeren bij een lieve kennis, de pubers beloven zelf hun tas in te pakken, laatste wasjes worden gedraaid want ‘oh dat favoriete truitje moet echt mee’, kippenhok voorzien van vers stro en water etc. Vanuit mijn bed kan ik het toch niet laten om allerlei commando’s door te appen. In plaats van door het huis te roepen als een viswijf bespaar ik op deze manier energie.  

‘Denk je aan het ophalen van dat bibliotheekboek? 

Picknickmand klaarzetten in de gang. 

Denk je nog aan dat leuke picknickkleedje? 

Misschien vind je nog die verrekijker? 

Vlieger inpakken.’ 

Braaf voert mijn man alle opdrachten uit, maar ik hoor hem zuchten. Ik durf niet meer niet te vragen of hij ook nog even de badkamers schoonmaakt. Deze taak heeft hij stilzwijgend van me overgenomen sinds mijn SAB. En het legen van de prullenbakken doe ik morgenochtend wel zelf. Waar komt toch die dwangneurose vandaan dat ik alles schoon en opgeruimd wil hebben, voor ik op vakantie gaan? Of dat nu voor twee weken is of twee nachten, het gevoel is hetzelfde. De hoeveelheid bagage trouwens ook… 

Aan mijn puberzoon vraag ik tot drie keer toe of hij nu echt zijn tas gaat inpakken. Telkens krijg ik hetzelfde antwoord: ‘Doe ik zo.’ Als het ’s avonds 23.00u is en ik al half aan het indutten ben, hoor ik hem rommelen. Dan staat hij aan mijn bed. 

‘Mam, waar is mijn zwarte joggingbroek? Oh, en die ene zwembroek met blauw en zwart?’  

Terwijl mijn hersenen overuren maken, terwijl ik eigenlijk al zou moeten slapen, is de hele familie hyper van de reis voor morgen. De beat van de favoriete muziek van mijn dochter dreunt door de badkamerdeur. 

‘Sorry jongens, maar ik moet nu echt slapen.’ 

Fluisterend op de overloop gaat de voorpret door. Uiteindelijk val ik tegen 02.00u in slaap. Kort nachtje, maar we gaan. Onze eerste vakantie met Corona én hersenletsel. Het gaat vast goed. 

Dinsdag 11 mei 

Dat het leven een stuk eenvoudiger en overzichtelijker is geworden, blijkt wel uit het feit hoe ik de dagen ervaar. 

Gisteren was het de dag van ‘zeurende pijn in mijn nek’; pijn in de nek als mijn dochter mij een iets te harde knuffel geeft, pijn in de nek als ik buk om de riem van de hond aan te doen, pijn in de nek als ik op mijn zij, rug of buik in bed lig en om 1.00u ’s nachts nog wakker lig van de pijn. Wist je dat je zelfs pijn in je nek kunt hebben als je op het toilet zit en het wc-papier wilt pakken?  

Vandaag was het de dag van ‘ik ben zo moe, maar kan niet slapen.’ Vanmorgen was ik na het revalidatiecentrum gegaan en bij thuiskomst eerst wat gegeten en gewandeld alvorens mijn bed in te duiken voor een extra lange middagdut, want ik had immers de ochtendrust overgeslagen. Nadat ik eerst het slaapkamerraam had gesloten, omdat iemand met een bladblazer aan de gang was, was ik net ingedommeld toen er gebonk op het dak klonk. Eerst dacht ik dat de buren aan het boren waren, maar het bleek de scholekster die haar territorium aan het verdedigen was versus drie grote kauwen. De scholekster keert ieder jaar terug om een ei te leggen op het grinddak. Normaal gesproken is zij van harte welkom, maar dit jaar is de herberg niet geopend voor gasten. Dus puberzoon uitgedaagd om op het dak de beesten te verjagen via een gammele ladder, zodat ik lekker kon blijven liggen. Maar toen het me wat te lang duurde en het erg stil bleef, toch maar uit bed geklommen om te kijken of zoonlief niet van de ladder naar beneden was gedonderd. Soms zou je hem namelijk best het nest uit willen gooien. Maar hij stond triomfantelijk van het uitzicht te genieten, want je mag immers niet iedere dag op tweehoog op het dak staan. Vervolgens weer proberen te slapen, maar de hyperactiviteit van de vogels en zoon was op me overgeslagen. Net voor het avondeten weer proberen te rusten, want moe ben ik. Je kent vast dat gevoel dat je jezelf door de dag heen moet slepen. Echter wilde ik dit tijdstip niet in slaap vallen, anders zag ik vanavond weer ieder uur van de klok. Gelukkig hield meneer Mindfull me wakker en had ik toch gerust. Mijn moeder zei vroeger altijd al als ik als kind niet kon slapen: ‘Ook al slaap je niet, dan rust je toch.’  

In mijn werkende leven heb ik te dealen met een opstandige tiener die niet meer de klas in wil of met een huilende collega na een pittig oudergesprek. Onderwijs is vaak schakelen en improviseren; dat maakt het juist zo leuk en uitdagend. Voor mij nu geen schakelen meer. Rust en structuur moeten ervoor zorgen dat mijn lichaam went aan het nieuwe dagschema inclusief ingebouwde prikkelarme rustmomenten. 

Wie weet wat het thema van morgen is? Ik heb er nu al zin in, maar eerst slapen. Als het lukt… 

Woensdag 12 mei  

Voor me zit de revalidatie-arts, naast me mijn partner. Omdat we ons niet meer voortbewegen door het gebouw, mogen de mondkapjes af. De revaildatie-arts is een jonge vrouw. Ik schat haar een jaar of dertig. Ze loopt naar de printer op de gang voor het plan van aanpak. 

‘Alleen maar jonge mensen die hier werken,’ merkt mijn man op. 

‘We worden gewoon oud, denk ik.’ Nou ja, gewoon… 

‘Goed, het plan van aanpak. We hebben als disciplinair team ervoor gekozen jou 18 weken te laten revalideren. Dat is best lang.’ 

‘Ja, ik schrok ervan toen ik het vorige week hoorde, maar nu vind ik het prima hoor. Het is fijn om hier te zijn.’ 

Even ben ik afgeleid als ik in mijn ooghoek zie dat mijn man aandachtig het plan van aanpak zit te lezen. Zijn geblader zorgt ervoor dat de informatie van de revalidatie-arts niet meer goed binnenkomt. Bovendien weet hij op deze manier eerder dan ik wat mijn doelstellingen zullen zijn voor de komende weken. Dat wil ik niet. Ik probeer me ervoor af te sluiten. Zonder succes. Ik leg mijn hand op zijn arm. 

‘Lees dat straks maar, ‘fluister ik. 

Mijn man schuift de papieren in elkaar en vraagt aan de arts: ‘Waarom zo lang eigenlijk?’ 

‘Bij jonge mensen die een werkzaam leven hebben kiezen we vaker voor een lang traject.’

De revalidatie-arts kijkt mij aan. 

‘We denken dat je nog veel te leren hebt om je energie te doseren. Uit de afgelopen observatieweken en het intakegesprek blijkt dat je te hard werkt en te veel doet. Bovendien gaf je zelf aan dat je niet zo goed je eigen grenzen kunt aangeven. Je zult moeten leren jezelf op de eerste plek te zetten.’ 

Ik slik. Mijn doorzettingsvermogen en motto ‘niet opgeven’ hebben me in mijn leven me enorm geholpen. Van een mavo/havo-advies naar een doctorandustitel (die ik overigens nooit gebruik), van verhaaltjes schrijven tot het uitgeven van een YA-boek, van juf naar Intern Begeleider op de leukste basisschool van Nederland. Nu is het niet helpend. Eerder destructief. 

‘We willen een gedragsverandering bij je te weeg brengen en dat duurt nu eenmaal lang.’ 

‘Misschien word ik er wel leuker van. Gezonder en leuker,’ zeg ik knipogend naar mijn man. Ik lach om mezelf. Want met een beetje zelfspot sla ik me hier doorheen. Maar dit keer op een heel gedoseerd tempo.  

Zondag 16 mei 

Daar staat hij. Recht voor me. Op het parkeerterrein bij het winkelcentrum. Is hij aan komen rollen? Hoe kan het dat ik hem niet aan zag komen? Hij is klein, rond en zo puppy-achtig dat ik hem zou willen aaien. Zijn kortharige vacht is groen met roze vlekken. Met zijn tedere ogen kijkt hij me aan. Ik stop als ik hem zie. Net liep ik nog gehaast uit de drukke winkel en nu wil ik zo gauw mogelijk weer terug naar huis. Daar waar het rustig is en ik rustig ben.  

‘Wie ben jij?’ vraag ik hem. ‘Wat kom je doen?’  

Mijn compassievolle vriend zegt niets, maar hij is overactief en springt ongeduldig op en neer. 

‘Jij bent mijn brein hè?’ merk ik op vanuit het niets. ‘Je ziet er lief en kwetsbaar uit en ik moet voor jou zorgen.’ 

Mijn snelle manier van winkelen om maar zo vlug mogelijk thuis te zijn, bang om te veel energie te verspillen, werkt natuurlijk averechts. Dit schattige wezen herinnert mij eraan gewoon meer rust te pakken, ook tijdens de actie.  

Hij rolt naar me toe en ik wil hem knuffelen. En bedanken voor dit inzicht. Hij neemt afscheid en als laatste gebaar overhandigt hij mij een cadeau. Als hij zijn handen openvouwt ligt daar een nog schattigere versie van hem in het klein. Als knuffel. 

‘Denk aan mij,’ is het enige zinnetje dat hij uitspreekt. 

Ik knik. Dankbaar aanvaard ik zijn cadeau. ‘Ik zal goed voor je zorgen. Beloofd.’ 

En dan is hij weg, maar niet uit mijn hart. En zeker niet uit mijn hoofd. 

(Nee, ik ben niet gek aan het worden. Deze visualisatie kwam tot stand n.a.v. een mindfullnessaudio) 

Woensdag 2 juni 

Mijn dochter is klaar met haar eindexamen en heeft enorm haar best gedaan de afgelopen periode. Een reden om nu leuke dingen te doen samen. Net als vroeger, want zo heet inmiddels de periode alles vóór november toen ons leven ingrijpend veranderde. Mijn dochter en ik houden samen van winkelen, lekker eten en leuke plekjes bezoeken. Dat eerste zit er voorlopig niet in. De rest is nog steeds mogelijk. Omdat ik beperkte energie heb en zij druk solliciteert voor een bijbaantje, hebben we afgesproken dat we 1 x per week qualitytime hebben gedurende twee uur. In de buurt zitten genoeg leuke, rustige plekken en eten kun je overal, dus wordt het de pluktuin. Het liefst was ik gaan fietsen, maar een half uur heen, daar rondlopen en vervolgens weer een half uur terug kost te veel energie, dus toch maar met de auto. Vindt mijn dochter niet zo erg.  

We zijn nog geen vijf minuten onderweg of we belanden in een file. Vlug ga ik van de snelweg af, want ik weet een binnendoorroute. Helaas, die weg blijkt geblokkeerd vanwege wegwerkzaamheden. Dan via een omweg, maar het weggetje dat ik gekozen heb, loopt dood. We zijn ondertussen 20 minuten onderweg en nog geen steek verder. 

‘Zullen we anders naar huis gaan en het volgende week opnieuw proberen?’ vraag ik hulpeloos aan mijn dochter. 

‘Jij hebt me altijd geleerd door te zetten, dus we gaan gewoon die file in. Dan doen we er maar wat langer over.‘ 

‘Ja, dat was mijn oude-ik. Ik weet nu dat opgeven ook een optie is.’ 

‘Maar beloofd is beloofd.’ 

Ik zucht. Voor dit zinnetje ben ik altijd erg gevoelig. Braaf sluiten we achteraan in de file. Na drie kwartier zijn we er.  

‘Op de fiets waren we sneller geweest,’ grap ik nog. 

We zijn de enige bezoekers in de pluktuin. Wat een verademing. En alhoewel er nog niet zo veel te plukken valt vanwege een koud en regenachtig voorjaar, genieten we van de omgeving. We zijn allebei dol op dieren, dus we staan uitgebreid de grote kippenren te bewonderen. Vooral het broedgedeelte. De eitjes vallen om de paar seconden in een houten raapbak. Wat een productiviteit! 

Als we even later in de schaduw van een appelboom op het terras zitten, denk ik aan het gesprek met mijn kapster. Dat de uitleg over de wet verbetering Poortwachter eerder die week zo’n indruk had gemaakt. Dat het streven is terug te keren in eigen functie. Dat ik me voor het eerst realiseerde dat er ook een kans bestaat dat dat niet haalbaar is. En dat ik daar zo van slag van was. 

‘Je kunt altijd nog vrijwilligerswerk doen. Jij bent van alle markten thuis,’ zei ze bemoedigend. 

Ik observeer een vrouw, die werkt in de moestuin. Ze heeft ongeveer dezelfde leeftijd als ik. Ze heeft een felgekleurde wijde broek aan en een strohoed beschermt haar tegen de hitte. 

‘Ik kan altijd nog vragen of ze hier vrijwilligers zoeken. Beetje schoffelen, beetje eieren rapen, beetje dieren voeren. Kinderen uitleg geven over de natuur. Ik denk dat ik dat wel kan.’ 

Mijn dochter knikt. ‘Dat denk ik ook.’ 

Maar liever wil ik terug naar mijn oude vertrouwde werkplekkie. Zonder strohoed, zonder schoffel in mijn hand. En dan is doorzetten opeens weer wel een optie… 

Dinsdag 8 juni 

‘Hoe is het de afgelopen week gegaan?’ vraagt de ergo, nadat ze vlijtig de tafel heeft gedesinfecteerd.  

‘Best goed eigenlijk. Ik voel dat ik energie overhoud en dat is heel fijn. Het moeilijkste is nu dat ik energie voel, maar het niet uit mag geven.’ 

‘Ja, snap ik. Zoals ik je vorige week al vertelde is het goed om 2 á 3 weken energie op te bouwen alvorens een volgende stap te zetten.’ 

Deze fase van mijn herstel vind ik een stuk moeilijker dan de beginfase. Toen floot mijn lichaam me meteen terug als ik mijn eigen grens overschreed. Nu kan ik niet wachten de bloemetjes eens flink buiten te zetten. 

‘Ik zou graag willen weten wat de volgende stap is, want soms voel ik me best een beetje eenzaam en afgezonderd van de buitenwereld. Hoe lief de mensen in mijn directe omgeving ook zijn.’ 

‘Wat zou je willen over zo’n week of twee/drie? We zouden een doel kunnen formuleren, zodat jij iets hebt om naar uit te kijken.’ 

Deze onverwachte vraag brengt vrijwel direct een grote dosis enthousiasme te weeg. 

‘Ik zou graag met een vriendin op een terras willen zitten of eindelijk op kraamvisite bij een lieve collega.’ 

‘Nou, dan gaan we dat eens verder uitdiepen. Zullen we het voorbeeld pakken van die kraamvisite? Waar woont ze? Hoe ver is het rijden?’ 

Als een ongeduldige leerling geef ik antwoord op haar vragen. 

‘Hoeveel punten kost het je denk je?’ 

‘Even denken. Autorijden 2, daar een uurtje zijn 6 en terug met de auto weer 2. 10 punten dus.’ 

Ik zucht. Dat betekent dat ik de rest van de dag weinig energie overhoud voor mijn gezin.  

‘Wat kunnen we anders doen, zodat het je minder punten kost? Ik begin eens bij het vervoer.’ 

Samen verkennen we alle reële vervoersmiddelen. 

‘Laten brengen kost het minste energie. Maar dat durf ik iemand niet te vragen. Zo van: ‘Hallo, ik wil iets leuks gaan doen. Kun je me halen en brengen, maar je mag niet mee naar binnen.’ 

‘Nee? Zijn er geen mensen in jouw omgeving die jou dat plezier gunnen?’ 

Ik denk aan mijn vader, aan mijn man. Die doen al zoveel.  

‘Misschien een attente collega? Maar kan ik dat van haar vragen?’ 

‘Wat zou jij doen als je deze vraag krijgt van je beste vriendin of favoriete collega?’ 

‘Ja, dat zou ik wel doen ja.’ 

De ergo benoemt ook de mogelijkheid van een (streek-)taxi, maar zoveel luxe gun ik mezelf niet. 

‘Tot zover het vervoer. Nu het bezoek zelf nog. Is het een uur?’ 

‘Nou misschien vindt zij het zelf ook wel prettig als ik maar drie kwartier blijf. Toen ik net een tweede kindje had vond ik kraamvisite het leukst als ze maar kort bleven.’ 

‘En kun je iets veranderen aan de setting daar? Ik bedoel: wonen er nog meer mensen bij haar in huis?’ 

‘Ja, haar schoonmoeder, haar man en ze heeft nog een peuter.’ 

Zij heeft zo’n schattig dochtertje, maar stel dat die kleine geen goede dag heeft en de baby is de hele tijd aan het huilen, dan kan ik het niet lang volhouden. Beschamend merk ik op: 

‘Ik kan het toch niet maken om te zeggen dat ik graag langskom, maar dat die peuter maar weggewerkt moet worden?’ 

‘Nee, als je het zo zegt niet nee. Maar als je haar vraagt: “Wanneer is het rustig bij jou? “, dan klinkt dat al een heel stuk vriendelijker.’ 

Ik denk na. Zou ik dat echt kunnen vragen? De ergo ziet mijn bedenkingen en vraagt: 

‘Nogmaals, zou jij het vervelend vinden als een collega aan jou vraagt “Luister, ik wil heel graag komen, maar i.v.m. mijn hersenletsel kan dat alleen in een rustige setting.”?’ 

‘Nee, dat zou ik niet erg vinden.’ 

Deze angel is er ook uit. Als de sessie afgelopen is voel ik me een heel stuk vrolijker. Ik heb een nieuw doel. En dat zorgt voor een grote glimlach op mijn gezicht. 

Dinsdag 22 juni 

Vorige week was zo’n fijne week vol met feest en vrolijkheid (Edwin 50 jaar, mijn dochter geslaagd voor de middelbare school). En ook al was alles heel gedoseerd; we hebben er allemaal van genoten. Ook in het revalidatiecentrum hoor ik fijne woorden zoals ‘kleine stapjes vooruit’ en ‘opbouwen’.  

De afgelopen dagen heb ik een unheimisch gevoel over de voortgang van mijn hersteltraject. Chagrijnig, verdrietig, boos. Allemaal emoties die geen energie opleveren. Het voelt alsof ik een ondankbaar kind ben in een grote snoepwinkel. Ik heb net het allerkleinste zakje snoep gekregen en moet ‘dank je wel’ zeggen. Dat weiger ik. Ik wil die grote rode lolly. Of die nougat met chocolade in een paars aluminiumfolie. Een kaneelstok of nee… die kersenzuurstok. Nee, eigenlijk wil ik ze allebei. Ik weet heel goed dat ik blij moet zijn met het kleine zakje snoep, maar ergens had ik meer verwacht. Iets groter, iets spectaculairder.  

Dat wordt dus heel lang sabbelen op de snoepjes uit het kleine zakje… 

Donderdag 24 juni 

‘Kijk je naar het kleine zakje snoep of de grote?’ vraagt de psycholoog bij het revalidatiecentrum wanneer ik haar vertel over het feit dat ik me een ondankbaar kind voel. Ondankbaar voor die ieniemienie stapjes die ik zet in mijn herstelproces. Ja, het is geen stilstand of achteruitgang, maar ik wil sneller. Ik wil meer.

‘Naar die kleine snoepzak. Zo van: ‘Ik heb maar een heel klein zakje snoep.’ 

‘Is dat zo?’ en dan blijft ze heel lang stil. 

‘Nee, je hebt gelijk. Ik kijk naar die grote zak. Naar wat ik allemaal niet heb. Of nog niet kan.’ 

‘Je moet proberen de snoepjes in het kleine zakje feller te laten kleuren. Geef het meer aandacht. Dan wordt dat zakje vanzelf groter.’ 

Thuis besluit ik alles op te schrijven wat sinds 6 weken al beter gaat. Van ’s avonds een cappuccino maken voor Edwin tot dat het niet heel erg is dat ik soms wat korter rust en daar dan niet boos op mezelf over ben. Het wordt een flinke lijst. Ik zet wel stappen. En een heleboel kleine stapjes zijn samen ook een grote stap. Ik voel trots. Ik kom er wel! 

Dinsdag 29 juni 

Ik plan mijn dagen ongemerkt steeds wat voller, waardoor ik ’s avonds echt uitgeteld op de bank zit. Het enige wat ik dan nog kan is tv-kijken. In stilte. Wil je op de bank erbij? Prima, maar beweeg je niet, laat je telefoon liggen en houd je adem in. Dat laatste net niet, maar zwaar ademen is al een prikkel, dus adem inhouden zit er niet ver vandaan. Mijn dochter weet inmiddels dat ze na half 9 het beste boven kan blijven. En ondanks het feit dat ik uitleg heel veel van haar houd, maar dat mijn hoofd het even niet kan handelen als ze achter mijn rug in de keuken aan het rommelen is, voelt ze zich toch afgewezen. 

Mijn zoon is vaak ’s avonds de hort op, dus die krijgt deze signalen niet altijd mee. Hij ploft na de hockeytraining naast me op de bank. Hij luistert 2 seconden naar een muziekje en swipet dan naar het volgende deuntje. Als ik hem vraag zijn oortjes in te doen, dan doet hij dat braaf. Dan gaat hij een tosti maken. Met veel gestommel van kasten die open en dicht gaan, gekletter van bestek op het aanrecht én zijn oortjes in, heeft hij het helemaal naar zijn zin. 

‘Sorry jongen, maar je maakt echt te veel lawaai. Kun je misschien naar boven gaan?’ 

Met een gespeeld pruillipje kijkt hij me aan. 

‘Nou zeg, vind je me niet meer leuk?’ 

Au, deze vraag doet zeer. 

‘Tuurlijk wel. Ga maar naar je zus. Zij voelt zich ook al afgewezen. Kunnen jullie samen de club van zielige kinderen oprichten,’ zeg ik met een knipoog.

Als ik die avond naar bed ga, loop ik nog even langs hun slaapkamer. Ze zitten heel cosy voetbal te kijken achter de laptop. Ze hebben samen de grootste lol. En chips.  

‘Gelukkig heeft de club van zielige kinderen het ook gezellig.’ 

Ik wens ze welterusten en benadruk dat ik hen de liefste kinderen van de hele wereld vind. 

De volgende avond bedenk ik me dat het anders kan en leg mijn koptelefoon naast me neer. Zodra mijn zoon terugkomt van zijn bijbaantje bij de Jumbo en hij met veel bombarie binnenkomt, zet ik gauw mijn koptelefoon op en vraag hem hoe het was. Hij blijft in de deuropening staan, ziet mijn koptelefoon en roept: 

‘Ik ben al weg.’ 

Hij trekt de deur achter zich dicht. Op weg naar boven. Enigszins verbouwereerd blijf ik achter. Zou er ook een club voor zielige moeders zijn? 

Vrijdag 16 juli

‘Hoe gaat het met je?’ is een hele normale vraag om bij iemand te informeren hoe hij of zij zich voelt. De laatste weken vind ik dit nog steeds een beleefde vraag, maar ook een ingewikkelde. Eigenlijk weet ik niet zo goed wat te antwoorden. Als ik zeg dat het goed gaat, want gelukkig die dagen zijn er ook, verwachten mensen misschien dat het hersenletsel ‘over’ is. Als ik zeg dat het niet zo goed gaat, kunnen mensen schrikken van dit antwoord. Natuurlijk heb je altijd nog de zin ‘het gaat goed naar omstandigheden’, maar die past niet zo bij mij. Te correct, te gevoelloos. Ik zeg dus dat ik het een lastige vraag vind en dat is natuurlijk ook een antwoord.

Zo waren mijn gezin en ik uitgenodigd bij een kleine buurtborrel. We hebben de laatste maanden behoorlijk wat nieuwe buren gekregen (yep, veel verbouwingen en geluidsoverlast) en het leek hen leuk elkaar eens te ontmoeten. Dit is voor mij het hoogste level van energievreters, maar ik ben te nieuwsgierig naar de gezichten achter de stemmen aan de andere kant van de schutting. En ja, een vastgeroeste overtuiging ‘want zo hoort het’ speelt ook mee. Vooraf bedenk ik me of ik ga vertellen over mijn hersenvliesbloeding. Ik besluit om het open te laten.

We zijn met vier gezinnen veelal met kleine kinderen. Dit wordt een kort bezoekje. Als ik mezelf voorstel en onmiddellijk de namen van de nieuwe bewoners vergeet, ga ik rustig op een stoel zitten. Een beetje van de groep af. Een aardige jonge moeder komt bij me zitten en nadat ik een aantal vragen over haar kinderen gesteld heb, komt de onvermijdelijke vraag hoe het mij gaat.

‘Op dit moment ben ik herstellende van een hersenvliesbloeding.’

Bam. Aan haar schrikreactie zie ik dat die binnen komt. Het was eruit voordat ik er erg in had.

‘Maar ik zit bij een revalidatiecentrum waar ze me super goed begeleiden. Gelukkig had ik geen uitvalverschijnselen, dus over een paar maandjes zal ik wel een heel eind zijn.’

De tactiek verzachten en verkleinen werkt ook dit keer. Haar gezicht ontspant. Dan wordt ze geroepen door haar jongste zoon en ons gesprek is afgelopen. Had ik meer willen vertellen? Ik weet het niet.

De volgende keer zeg ik: ‘Vandaag gaat het goed’ of ‘Vandaag heb ik even een mindere dag’. Dat is vast een stuk gemakkelijker.

Vrijdag 23 juli

Op de laatste schooldag van het jaar staat er ’s avonds een BBQ met het hele team op de planning. Dat is een traditie op mijn school om samen met het hele team de vakantie in te luiden. Bovendien nemen twee favoriete collega’s afscheid. Weken heb ik er over nagedacht hoe deze avond aan te pakken, want dit is natuurlijk killing voor mijn energie. Mijn eigenwijze karakter staat me ook nu in de weg en ik besluit toch te gaan. Een uurtje. Max. Met oordoppen en koptelefoon. Ik wil er bij zijn. Punt.

Maar die dag heb ik het zwaar. Het gevoel van afscheid overheerst. ’s Morgens heb ik eerst nog een gesprek met de psycholoog en ik vertel haar over mijn gevoel. Ook van haar moet ik volgende week afscheid nemen. Mijn traject zit er op w.b. het psychische stukje. Dat vind ik spannend, want ben ik er klaar voor? We bespreken opnieuw de drie A’s met bijbehorende tekening.
De fases van het verwerkingsproces. Afkeer-Afscheid-Acceptatie. -__- Waarbij de lage streep staat voor de fase van afscheid. Ik wijs naar de denkbeeldige lijn ergens halverwege afscheid en acceptatie. 

‘Ik denk dat ik ongeveer hier zit. Voorbij het diepste dal richting acceptatie.’

We concluderen gezamenlijk dat ik al ver ben in het proces en dat een minder moment nog kan komen, maar dat ik sterk genoeg ben dit aan te kunnen. Ik ben er bijna of hoe je dat ook kunt noemen, maar nog niet helemaal. De psycholoog heeft er alle vertrouwen in dat ik dat laatste stukje alleen aan kan.

Die avond vraagt een jonge wereldwijze collega, die ik acht maanden niet gezien heb, belangstellend naar mijn traject. Nadat zij mijn verhaal over het gesprek met de psycholoog aangehoord heeft, trekt ze een prachtige conclusie.

‘Dus eigenlijk zit je op de berg van acceptatie?’

Enthousiast knik ik. Dat zijn nu precies de woorden waar ik naar op zoek was.

Woensdag 1 september 

Deze week ben ik gestart met werken. Nou ja werken? Het is meer aanwezig zijn op de werkplek dan inhoudelijk werk, maar het is een stap. En bij het begrip werken denk ik gelijk dat ik beter ben en de hele wereld aankan, dus die puppytraining deel 2 waar we eerder niet aan toe gekomen waren, kan er ook best bij. 

Ik ben nog geen vijf minuten bij de les aanwezig en ik heb al zo mijn twijfels of dit een goed idee was. Ook al bestaat de groep slechts uit vijf deelnemers met hun volgroeide puppy’s, ik schrik van iedere blaf. Mijn eigen hond reageert daar weer op en ondertussen moet ik opletten om de instructie te volgen. Misschien had ik vooraf toch moeten doorgeven dat ik kamp met de gevolgen van NAH. Of ik had natuurlijk gewoon mijn oordoppen in moeten doen. Maar dat heb ik allemaal niet gedaan, want euj, ik ben weer aan het werk he.  

Ondertussen probeer ik Pip af te leiden met brokjes maar na 10 minuten ben ik door mijn voorraad heen en sta ik met lege handen. Ik ga naast Pip op de grond zitten. Meestal wordt ze daar rustig van. Dit keer niet. Door de spijlen van het houten hek ziet ze een andere hond en ze wil spelen. In haar enthousiasme gooit ze een drinkbak om. Deze staat precies op de plek waar ik zit. Zit ik dan: brokjesloos, overprikkeld, met natte broek op een koude betonnen vloer. Dit plan was misschien te hoog gegrepen. 

Bij thuiskomst krijg ik even later een lieve mail van de hondentrainster. In een uitgebreid antwoord leg ik haar de situatie uit. Er is begrip. Volgende week ga ik het anders doen. Ik krijg alle video’s van de trainingen vooraf gestuurd; pre-teaching noem ik dat. Oordoppen in, plek in de hoek, kluif mee en 1000 brokjes. En dan gaat het Pip en mij lukken! 

Woensdag 29 september 

Vandaag had ik een fijn gesprek met Libra arbeid en de directeur van mijn school. Libra arbeid gaat mij coachen en begeleiden met het opbouwen van werkzaamheden. We komen tot de conclusie dat ik vanaf volgende week twee keer twee uur mag gaan werken, maar dan wel op kantoor en niet op klassenbezoek wat eigenlijk het allerleukste is om te doen. Maar het gaat erom dat ik twee uur kan volhouden met alle prikkels die een basisschool met zich meebrengt. Dus die toffe taalinstructie in de bovenbouw of dat geweldige maar o zo bewerkelijke kind nog even niet. 
Mijn directeur is zo vriendelijk om zijn kantoor aan mij af te staan, zodat ik echt een eigen werkplek heb. In mijn eentje… op een school met 350 fantastische kinderen en 30 super gezellige collega’s. 
Het kantoor van mijn directeur is onlangs prachtig gerestyled. Een stoere blauwe mannenkleur op de muur en een robuuste houten tafel als bureau. Zelfs twee bijpassende retro stoeltjes om even wat te relaxen komen goed van pas, want ja, ook mijn rustmoment zal ik in dit hok moeten doorbrengen. Een enorme raampartij naar de gang zal het contact tussen mij en mijn collega’s of leerlingen enigszins mogelijk maken. 
Ik voel me net Sneeuwwitje in een glazen kooitje, maar er is geen heks die mij vergiftigd heeft. Ik moet gewoon even door de zure appel heen bijten, want over een paar weken mag de deur open om geluid en/of andere prikkels binnen te laten. Wie weet glipt er dan een toffe collega of vrolijk kind mee naar binnen, want die verbinding blijft toch het leukste van mijn werk. 

Maandag 15 november 

In het revalidatiecentrum heb ik de activiteit zwemmen opnieuw leren kennen. Nu moet je weten dat ik zwemmen haat. Vanwege het altijd koude water. Sinds de kinderen groot genoeg zijn zelfstandig het zwembad te bezoeken ben ik er niet meer geweest. Maar in het revalidatiecentrum was het water warm; subtropisch warm. Bovendien bleek het goed te zijn voor mijn nek- en schouderspieren. Dat is sinds mijn SAB een zwakke plek geworden. Ik zwom er met allerlei zwemattributen om mijn nek zo min mogelijk te belasten. Ondanks het feit dat er in mijn woonplaats geen therapeutisch badwater is, heb ik me sinds twee weken in het diepe gegooid. Met snorkelmasker, zwemkussen en duikbril. Wat voelde ik me ongemakkelijk tussen al die baantrekkende atleten. Gelukkig trof ik een vriendelijke badjuf. Ik vroeg haar of er ook dagen waren met uren zonder achtergrondmuziek. Al die extra prikkels kosten energie en dan stond ik nog op het droge. Serieus, al tijdens het omkleden in het badhokje schalde de muziek in mijn oren.  

‘Ik kan de muziek wel even zachter zetten,’ zei ze vriendelijk. 

Dat scheelde al. 

‘Ik ben hier voor de eerste keer, dus hoe werkt het? Kan ik van elke baan gebruik maken of zit er een bepaald systeem in?’ 

‘De achterste baan is voor de snelle zwemmer. De voorste hier is voor de zwemmers die het op hun gemak willen doen en de middelste baan is… er tussenin.’ 

‘Dan neem ik de voorste baan.’ 

Ik leg al mijn attributen langs de kant en daal het trapje af. Brrr… koud, maar omdat ik me enigszins opgelaten voel in de baan met voornamelijk grijze haren krijg ik het toch snel warm. Ik zwem mijn baantjes, wissel af met de hulpmiddelen, bots bij de rugslag tegen een andere zwemmer, maar verder geniet ik op en top. Weer een mijlpaal bereikt. Bij het omkleden valt me weer de muziek op. Het lijkt nu harder te staan of komt het omdat ik moe ben? Dan maar zo vlug mogelijk omkleden. Haren kammen doe ik buiten wel. En die make up? Dat laat ik achterwege. Zolang ik nog in de voorste baan zwem, hoef ik op niemand indruk te maken. 

Dinsdag 7 december 

Nu ik van drie naar vier uur werken ben gegaan voel ik me supersterk. En dat twee keer in de week; wauw. Doordat ik langer op mijn werk ben, lunch ik daar ook. Het afgelopen jaar heb ik iedere dag een heel ritueel gemaakt van de lunch. Zalm met gepocheerde eieren op toast, een zelfgemaakt soepje of salade met tonijn maken weer plaats voor twee geplette bruine boterhammen met kaas. Welkom terug in het werkende leven. Omdat ik mezelf niet mag overbelasten, mag ik telkens maar één collega uitnodigen om bij mij op kantoor te mogen lunchen. Coronatechnisch ook gunstiger. Het gesprek mag echter niet over werk gaan. Gauw app ik een aantal collega’s met wie ik altijd genoeg te bespreken heb. Dan bedenk ik me dat bepaalde karakatereigenschappen van collega’s mij heel veel energie kunnen kosten, dus ik wik en weeg en er ontstaat een mooi lijstje met geschikte kandidaten. 

Bij de derde lunchdate vraagt mijn collega hoe het nu werkelijk met me gaat.  

‘Ik ben een beetje van de wap eigenlijk. Begrijp me niet verkeerd hoor. Ik ben echt heel blij dat ik al vier uur werken kan, maar ik ben ook in de war. Zo van ‘Hoe komt het nu dat ik dit kan?’ Eerst lukte me dat nog niet.’ 

Mijn collega knikt begripvol. 

‘Mijn rusttijden zijn verschoven, omdat ik later thuiskom van het werk. Slapen lukt dan niet, want ik ben dan helemaal hyper. De tranen zitten ook al hoog…’ 

‘Overprikkeld misschien?’ 

‘Ja, dat ook een beetje.’ 

En dan weet ik wat het is. 

‘Ik heb gewoon regeldagen. Je weet wel als je baby een paar dagen huilerig en hangerig is. Ze maken dan een sprongetje in hun ontwikkeling. Nou, zo voel ik me ook.’ 

En voor het eerst in mijn leven begrijp ik de informatie uit de boeken ‘Oei, ik groei’. (De boeken die ik overigens na een paar maanden al in de hoek van de kamer gooide, omdat mijn kinderen vooral hun eigen ontwikkelingslijn bepaalden.) Neurologisch onderzoek heeft aangetoond dat zulke sprongen gepaard gaan met veranderingen in de hersenen. Ik maak een sprongetje in mijn ontwikkeling en daar moet ik gewoon even aan wennen. En mijn hersenen ook.

Donderdag 13 januari ’22 

Het is vandaag 13 januari en het woord is voor het eerst genoemd; afkeuren. Libra arbeid had al gewaarschuwd dat het aankomende gesprek met de bedrijfsarts wel eens heftig zou kunnen worden nu de evaluatiedatum van spoor 1 in zicht komt. Eerst dacht ik dat spoor 2 nog een reële optie zou zijn, maar zelfs dat lijkt niet haalbaar. Gedeeltelijk afkeuren dan, vraag ik enigszins hoopvol. Want eigenlijk voel ik me best sterk en vergeleken met een aantal maanden geleden voel ik groei. Dat NAH-patiënten zichzelf overschatten is algemeen goed. Heel mijn leven ben ik onzeker geweest en nu ik NAH heb, heb ik regelmatig het gevoel meer aan te kunnen dan ik daadwerkelijk kan.

Nee, het gaat om volledige afkeuring; een IVA. Nog geen idee waar die afkorting voor staat. Dat komt binnen. Ik ben 47 jaar en zou als ik geen SAB gehad zou hebben nog bijna 20 jaar kunnen werken en dan word ik opeens afgekeurd. Misschien. Want zolang de 24 maanden nog niet verstreken zijn, praten we enkel nog over mogelijkheden en kansen.  

Ik ben behoorlijk van slag en ondanks het feit dat het nog niet zeker is, wil ik het graag de kinderen vertellen. Mijn dochter begint meteen te huilen. Die vindt het zo erg voor mij. Ze weet hoeveel ik van mijn werk houd. Als even later mijn zoon binnenkomt, reageert hij optimistisch: ‘Dan heb je dus altijd vakantie?’ 

Tja, zo zou je ook naar de situatie kunnen kijken… 

Vrijdag 8 april ’22

Na een kort ziektebed is mijn allerliefste vader overleden. Mijn grootste fan, mijn steun en toeverlaat, mijn mantelzorger gedurende de eerste periode van mijn hersenletsel, de fanatieke supporter van mijn kinderen… Ik mis je nu al…

Vrijdag 27 mei ’22

Het is nu zo’n anderhalf jaar geleden dat ik mijn hersenvliesbloeding kreeg en het went. Natuurlijk zou ik het liever anders gezien hebben, maar het is oké zo. Ook mijn gezin weet wat het betekent om een familielid te hebben met NAH. Verder wil ik dat we zo’n normaal mogelijk gezin zijn. Een gezin waar het niet continu over hersenletsel gaat, maar gewoon over de normale zaken in het leven. Een gezinsuitje bijvoorbeeld. Iets wat we voor mijn hersenletsel regelmatig deden. We Googlen op uitjes op half uur rijden afstand, want op deze manier blijft er meer tijd over voor de activiteit zelf. Het wordt de Beekse Bergen. Beetje wandelen in de natuur, beetje dieren kijken en geen lawaaierige achtbanen. Even denk ik aan de beginfase, toen ik net uit het ziekenhuis kwam. We hadden kaartjes liggen van de Efteling. Vanzelfsprekend gingen we daar heen. Ik in een rolstoel. Lol hadden we om het feit dat we overal voorrang kregen. Mijn lieve vader kwam me na een tijdje ophalen, zodat mijn gezin nog even Ruigrijk kon doen. Dat ik dagen later nog last zou hebben van overprikkeling wist ik toen nog niet.

Als we iets te vroeg bij de roofvogelshow aankomen, blijkt die twintig minuten wachten toch een hele uitdaging te zijn. Ik wil wel normaal doen, maar ik ben het natuurlijk niet. Enthousiaste kinderen, muziekje en veel mensen. Ik zie een jonge moeder met een koptelefoon op. Slim. Die had ik ook mee moeten nemen.  
‘Ga anders nog een extra blokje om?’ adviseert mijn man. ‘Het duurt nog wel even.’ 

Dankbaar voor zijn suggestie loop ik tussen de ringstaartmaki’s langs de speeltoestellen en de horeca naar de rand van het water. Waarom zijn al die plekken voor vertier zo schreeuwend en massaal? Dat ik dat überhaupt mijn kinderen heb aangedaan toen ze nog klein waren. Een bankje bij de pinguïns waar niemand te verkennen is heerlijk. Groots en weids. Precies wat ik nodig heb.  

We genieten van de roofvogelshow en daarna is het tijd om naar huis te gaan. Helaas is de bootsafari vol, maar als ik even later de overvolle boot zie varen, ben ik toch blij dat we wandelend naar de uitgang zijn gegaan. Als afsluiting een ijsje misschien? Want ergens wil ik niet dat deze gezellige ochtend ten einde komt. Maar ook bij de uitgang van het park zijn er winkeltjes, muziek en huilende kinderen die toe zijn aan hun middagdutje. Net als ik. De laatste meters zijn zwaar. Ik ben moe. En ja, tuurlijk was ik langer gebleven. Dat is normaal toch? Maar fijn was het zeker.